Zevenslaper

Toen ik jong was, vond je nog overal zevenslapers. In de herfst vraten die zich helemaal vol, kropen in een holle boom of een gat in de muur en vielen dan in slaap tot de lente aanbrak,

 

zeven maanden lang.

 

Dat ga ik ook doen. Nu de tuin bezaaid ligt met bruine bladeren en de regen een trieste melodie tikt op het raam, eet ik zoveel tot ik kogelrond ben. Daarna rol ik me op tot een bolletje in dikke lakens en ronk ik aan één stuk door,

 

tot de zon weer schijnt en bloemen weer boven de grond uitpiepen.

Advertenties

De herinnering van de oude man

Dit verhaal verscheen eerder op De Optimist, 23 september 2018, mét illustratie van Lisa Nguyen.

Ik ben vergeten te tellen hoeveel lentes ik al oud ben, en hoeveel herfsten. Veel zullen het er zijn, want als ik terugblik in de stoffige wirwar van mijn geheugen, zijn haast alle beelden gevuld met rood dwarrelende bladeren en wit bloeiende lindebloesems. Alles daartussen, het kleverige zand van de zomer of het huis omgeven door voetstappen in de sneeuw, lijkt te vervagen, als een druppel water die in een mum van tijd verdampt als je hem op zo’n zomerdag buitenlegt.

Die herinneringen van elkaar scheiden is even moeilijk als de melk weer uit de koffie halen. Maar als ik één beeld mag kiezen, een herinnering, een moment,

dan kies ik voor die keer dat ik aan een afgrond stond.

September was al begonnen, de bomen verkleurden hun kleed en ’s ochtends lag de mist als dikke room in het dal. We kampeerden in een warm loofwoud op de kam waar we de edelherten hoorden burlen, maar nooit zagen. Ik staarde in de diepte, zag mensen in het dal, de afgrond deed me duizelen.

Die herinnering is vastomlijnd, als een foto in een album, met plaats en datum erbij gekrabbeld. Het is niet veel, maar al verlies ik mijn geheugen, weet ik zelfs niet meer wie ik ben, dan zal ik me nog steeds herinneren wat ik zag toen ik in die afgrond keek.

De rivier

Dit verhaal verscheen eerder op De Optimist, 26 augustus 2018, mét illustratie van Lisa Nguyen.

Als je zo’n rivierkei meeneemt naar huis en hem heel dicht bij je oor houdt, dan hoor je daar voor altijd de rivier in ruisen. Maar dan moet je er wel eerst één gaan halen. Eerst het lange pad volgen over de glibberige rotsen, voor je het ijskoude water op je oogleden voelt spatten en de keitjes op de bodem voelt prikken in je voetzolen.

Komaan, het is niet moeilijk, het pad start gewoon hier. De durvers kunnen, als ze willen, wel wat verder gaan, naakt een duik nemen in het koele, kolkende water.

Ik ben nooit naar de rivier gegaan,

want de rivier heeft er al genoeg meegesleurd.

Boomhut

Dit verhaal verscheen eerder op De Optimist, 19 augustus 2018, mét illustratie van Jeroen Kooren.

Ik las altijd dat ze naar noten smaken, maar ik herken er toch eerder mosselen in. Gelukkig weet ik ook maar al te goed waar de braambessen en de bosbessen groeien, en wanneer ze op hun best zijn, zodat ik niet altijd sprinkhanen zal hoeven te knabbelen. En in het beekje zag ik dikke karpers voorbijzwemmen. Misschien moet ik een dam bouwen en zo de vissen in het nauw drijven, want met de stok waar ik een vlijmscherpe punt aan had geslepen, lukte het niet. Telkens als ik ervan overtuigd was dat ik mijn zelfgemaakte speer recht in het lijf van zo’n logge karper zou ploffen, prikte ik er net naast. Misschien moet ik ook wel mijn speer verbeteren, een steen zo scherp slijpen met een andere steen zodat ik er zelfs konijnen op kan spiesen. Daarvan krioelt het hier ook op zomeravonden, dus omkomen van de honger zal ik nooit. Voor altijd zal ik hier blijven wonen.

De eerste dag in mijn boomhut zit er nu op. De vloer heb ik bedekt met gras dat ik her en der gaan plukken ben. Vanochtend was het nog kletsnat, nu heerlijk droog. Straks zal ik dus mijn eerste nacht hier kunnen doorbrengen terwijl ik me wentel in het zachte hooi.

Soms hoor ik ze in de verte wel mijn naam roepen. Gelukkig zit ik te verscholen om ontdekt te worden. Alleen ik weet deze plek liggen. Je moet over het hek klimmen, balanceren op de linkeroever van de beek en dan de samenvloeiing oversteken op de boomstam. Toch blijf ik op mijn hoede en verstop ik me onmiddellijk als hun speurtocht hen te dicht bij mijn boomhut zou brengen. Hun inspanningen zullen ze op een dag wel opgeven.

Het idool

Na drie maanden elke dag rond te slenteren op diezelfde plek, werd mijn geduld eindelijk beloond en liep ik hem tegen het lijf.

Of misschien moet ik Hem schrijven, met een hoofdletter. Voor een artiest van Zijn allooi is dat wel gepast. Als de bliksem diepte ik een sigaret op uit de zak van mijn leren jasje, stak die op en snelde op Hem af.

De fascinatie was jaren geleden al begonnen. Ik kende Hem wel van Zijn veelvuldige media-optredens, maar had me nooit zeer diepgaand in Zijn oeuvre verdiept. Tot mijn blik viel op één van de columns die Hij voor een weekblad schreef. Daarin las ik dat Hij gestopt was met drinken op de dag dat ik geboren ben, wat een periode waarin Hij dagelijks een fles porto, een fles whiskey en tien pinten consumeerde abrupt tot een einde bracht. Dat, op de dag waarop ik het levenslicht zag. Dit historisch feit bezorgt ons een bijzondere spirituele connectie, een verbondenheid die ik ongetwijfeld met geen enkele andere schrijver zou kunnen bereiken. Meteen wist ik waar mijn toekomst lag: in de letteren, en nergens anders. Nu Zijn haren stilaan zilver begonnen te kleuren, kon ik een gooi doen naar die gouden plak als Jonge Oppergod der Vlaamse Letteren.

Schrijven werd toen mijn nachtelijks ritueel. Daarmee bedoel ik: ik sloeg één van Zijn boeken open op een willekeurige pagina, nam er een stapel papieren en een balpen bij en pende alles letter per letter over. Af en toe aarzelde ik of ik een zin anders zou neerschrijven of een woord zou aanpassen. Gelukkig verdween die twijfel snel uit mijn hoofd. Als Hij het zo geschreven had, moest ik daar niet aan twijfelen. Zijn werk herschrijf je niet. Toen ik besloot dat ik mijn pen voldoende gescherpt had door Zijn voorbeeld te volgen en een volwaardige stap richting meesterschap kon zetten, begon ik aan mijn eigen schrijfsels. Aanvankelijk waren deze zeer autobiografisch geïnspireerd, doch na maanden noest gewroet wist ik dat beschrijvende niveau te ontstijgen en doorwrochte fictie voort te brengen, uiteraard volledig in Zijn onmiskenbare stijl en woordenschat.

Maar om Zijn troon op te eisen, moest ik verder durven te reiken. Er volledig uitzien als Hij, bijvoorbeeld. Het rafelige leren jasje vond ik redelijk snel in de kringloopwinkel. Ook al was mijn zicht perfecter dan dat van een steenarend, toch bestelde ik een bril bij een gedegen opticien. Met vensterglazen, weliswaar, maar met een gelijkaardig montuur als datgene wat op Zijn neus prijkt.

Het kapsel was een ander paar mouwen. Mijn haar woekert redelijk dik op mijn kruin, waardoor de wilde manen die Hem kenschetsen moeilijk te imiteren zijn. Elke dag moet ik mijn haren grondig wassen en regelmatig vraag ik de kapper om de puntjes bij te knippen, anders zou ik er gaan uitzien als een klaploper zonder toekomst.

Uiterlijk is echter niet alles: Zijn volledige levensstijl moest ik de mijne maken. Het nieuws dat Hij plotsklaps een jongedame die vijfendertig lentes minder telde dan Hijzelf Zijn vriendin mocht noemen, sloeg in als een bom. Dat maakte een liefdesleven voor mij volkomen onmogelijk. Mijn muze zou nu dan immers min elf moeten zijn, wat betekent dat zij pas binnen meer dan een decennium geboren wordt en ik dan alsnog, gezien enkele grondwettelijke en strafrechtelijke details, bijna twee decennia zal moeten wachten voor ik me tegen haar aan zal kunnen vleien. Dat maakt de anekdotes over minnekozerij en geslachtsgemeenschap in al haar verschijningen die Zijn oeuvre zo kenmerken, compleet onbereikbaar voor mij. Hij had mij schaakmat gezet. Bijgevolg moest ik kiezen tussen een langdurig celibatair leven, wat compleet andere pennevruchten zou opleveren dan de Zijne, of zondigen tegen Zijn levensloop, en daarmee het risico lopen niet te worden zoals Hij. Uit bittere noodzaak koos ik uiteindelijk voor het compromis: actief ging ik achter het andere geslacht aan, daarbij gebruikmakend van literaire vleierijen van de bovenste plank, maar onbegrijpelijkerwijs tot op heden zonder enig aantoonbaar succes.

De zwaarste dobber bleek echter Zijn voedingspatroon. Ik rekende uit dat Hij op mijn geboortedag zesendertig was geweest. Dat geeft mij op dit moment nog twaalf jaar de verplichting om te drinken. Aan Zijn tempo, uiteraard. Elke ochtend sjok ik braafjes naar de drankenspeciaalzaak om de hoek voor mijn fles porto en mijn fles whiskey, die ik vervolgens in vaste intervals soldaat maak. De tien pinten die het alcoholdieet vervolledigen, sla ik traditiegetrouw in de kroeg aan de overkant van de straat achterover. Elke avond tegen negenen, om precies te zijn. Dan kom ik binnen en heeft de barman mijn eerste horde al klaargezet. Die is uiteraard het moeilijkst, maar daarna ligt de weg open voor een zegetocht die me met elke slok dichter bij Zijn eenzame hoogten brengt. De eeuwige uitspraken van topsporters dat enkel door ijzeren discipline het niveau van hun helden te bereiken valt, gaan dus ook op voor de meest verheven sport van allemaal: de schrijverij. Ook de sigaretten nam ik er dan graag bij. Eeuwige roem is mij meer waard dan mijn gezondheid, en eeuwige roem is immers waarvoor ik geboren ben.

Dit alles had me voorbereid op de ultieme confrontatie: de ontmoeting met Hem. Uit betrouwbare bronnen had ik vernomen dat Hij, mensenschuw als Hij is, of juist te intelligent om contact met stervelingen vrijwillig op te zoeken, één keer gezien was in de centrale winkelstraat van de stad. Dag na dag rookte ik vervolgens mijn sigaretten terwijl ik als de bewaker van kroonjuwelen de straat op en af marcheerde, mijn blik niet gericht op de kleurrijke etalages van de winkelpanden of de historische gebouwen waarin zij gehuisvest zijn, maar op de gezichten van de passanten, voorbereid op het signaleren van Zijn gelaatstrekken.

En dan had ik eindelijk beet. Zonder een woord te zeggen dook ik op voor Hem en keek ik Hem recht in de ogen, niet bevreesd om mijn illustere voorbeeld te ontmoeten. Ik had verwacht dat Hij verbaasd zou zijn, maar integendeel, Hij gaf geen kik. Al wat Hij deed was mij aankijken van top tot teen, een eindeloze seconde lang.

Toen schoot Hij pas in actie. In één vloeiende beweging griste Hij met Zijn linkerhand de sigaret uit mijn mondhoek en vertrappelde die onder Zijn rechtervoet, terwijl Hij met Zijn rechterhand mijn bril afnam en die aan gruzelementen trapte met Zijn linkervoet. Daarna rukte Hij het leren jasje van mijn lijf en hield mijn lange haren samen boven mijn hoofd, als een koppensneller die op het punt stond mij te scalperen. Ik bleef echter onbeweeglijk. Enkel Hij kon oordelen over mijn lot.

Na een volle zwijgzame minuut liet Hij me los en wandelde ervandoor. Even draaide Hij zich nog lichtjes om, om me over Zijn schouder gedag te wuiven.

Ik leid uit dat teken af dat ik nog niet goed genoeg ben. Mijn poging Hem te evenaren zat vol beginnersfouten. Ik heb nu een nieuwe bril besteld, met exact hetzelfde montuur als de Zijne. Ook het jasje krijgt een tweede kans: nu zal ik er één dragen dat zelfs kreuken heeft op dezelfde plaatsen als dat van Hem. En de sigaretten die ik rookte bleken van het verkeerde merk te zijn, net als de whiskey en de porto. Eens ik al die dingen heb rechtgezet, zijn er geen grenzen meer. Op een dag zal ik er staan.

Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk.

Rootless Queen

‘Mijn roots heb ik nog steeds, hoor. Ik ben ze nooit verloren.’

Ze laat de wijsvinger van haar rechterhand over de cassettebandjes in het rek glijden. Met haar linkerhand knijpt ze zachtjes in de mijne. Ik hou mijn adem in en tel de seconden voor ze ontdekt dat er een cassette ontbreekt in de rij.

Nog voor hij zijn intrek nam in het bejaardentehuis, waren we er samen al eens heengegaan, zij, haar grootvader en ik. Op de metro erheen zat hij steeds uit het raam te wijzen en vertelde hij honderduit tegen me, in een taal waar ik geen woord van begreep. ‘Hij wijst de plekken aan waar hij heeft gewerkt,’ leerde zij me achteraf. Ik wou eindeloos doorvragen, waar hij vandaan kwam, hoe hij hierheen was gekomen, waar hij hier eerst had gewoond, hoe het voelde om aan te komen in een land waar hij niemand kende.

Ik steek de cassette in de speler op de vloer en ga ernaast op mijn buik liggen. Voor ik de afspeelknop indruk, aarzel ik even. Zou ze nog wel werken? Zou ik zo alle stemmen horen die destijds haar grootvader bereikten, zoveel duizenden kilometers overbruggend, als antwoord op de stemmen die hij hen telkens zond?

Even hoor ik enkel ruis, dan weer die taal waarvan geen woord me bekend voorkomt. Minutenlang luister ik naar de melodieën van de stemmen – mannen en vrouwen, kinderen en ouderen. Dan blijft er één stem over. Haar gezangen komen van ver, maar tegelijk zijn ze ongelooflijk dichtbij. Zijn vrouw, flitst door mijn hoofd, voor ze hem achterna reisde. Haar oma.

Een auto die voorbijraast op straat haalt mij uit mijn trance. Op het bandje weerklinkt enkel nog ruis. Door het geopende raam hoor ik een flard van een liedje opstijgen uit de auto. Ruthless Queen, heet ‘t. Mama zong het altijd, als ze het eenmaal op de radio hoorde, verdween het voor de rest van de dag niet uit haar hoofd. Vroeger dacht ik altijd dat de titel Rootless Queen was. Koningin zonder roots.

‘Betekent je naam eigenlijk koningin?’

De kuiltjes in haar wangen zijn weer daar. ‘Iedereen denkt dat altijd. Maar eigenlijk betekent mijn naam schitterend, of gelukkig.’ Haar wijsvinger heeft de plek bereikt waar het cassettebandje ontbreekt.

‘Voor wie supporter je straks tijdens de finale van het WK,’ vraag ik, ‘België of Marokko?’

Spelen

Ik wist niet waar vader de auto vandaan had gehaald. Ik wist niet eens dat vader met de auto kon rijden. Mijn neus kwam net boven de onderrand van het smerige raampje uit en zo kon ik zien hoe we langs de velden gleden.

In het midden van een lange sliert bakstenen woningen met keurige tuintjes remde vader bruusk. Drie kinderen liepen joelend rond een huis. Ik zag hen afwisselend opduiken voor het huis en er weer achter verdwijnen. Ik kon niet horen wat ze riepen.

‘Hier zijn nog kinderen,’ zei vader zonder me aan te kijken. ‘Ga meespelen. Ik kom je straks wel ophalen.’

Voor ik het wist had ik me uit de auto laten zakken en het portier achter me dichtgeslagen en zag ik vader aan de horizon verdwijnen. Met lood in mijn schoenen stapte ik op de wildvreemde kinderen af.

 

Dit verhaal verscheen ook op De Optimist, 12 augustus 2018, mét illustratie van Lisa Nguyen.