Rootless Queen

‘Mijn roots heb ik nog steeds, hoor. Ik ben ze nooit verloren.’

Ze laat de wijsvinger van haar rechterhand over de cassettebandjes in het rek glijden. Met haar linkerhand knijpt ze zachtjes in de mijne. Ik hou mijn adem in en tel de seconden voor ze ontdekt dat er een cassette ontbreekt in de rij.

Nog voor hij zijn intrek nam in het bejaardentehuis, waren we er samen al eens heengegaan, zij, haar grootvader en ik. Op de metro erheen zat hij steeds uit het raam te wijzen en vertelde hij honderduit tegen me, in een taal waar ik geen woord van begreep. ‘Hij wijst de plekken aan waar hij heeft gewerkt,’ leerde zij me achteraf. Ik wou eindeloos doorvragen, waar hij vandaan kwam, hoe hij hierheen was gekomen, waar hij hier eerst had gewoond, hoe het voelde om aan te komen in een land waar hij niemand kende.

Ik steek de cassette in de speler op de vloer en ga ernaast op mijn buik liggen. Voor ik de afspeelknop indruk, aarzel ik even. Zou ze nog wel werken? Zou ik zo alle stemmen horen die destijds haar grootvader bereikten, zoveel duizenden kilometers overbruggend, als antwoord op de stemmen die hij hen telkens zond?

Even hoor ik enkel ruis, dan weer die taal waarvan geen woord me bekend voorkomt. Minutenlang luister ik naar de melodieën van de stemmen – mannen en vrouwen, kinderen en ouderen. Dan blijft er één stem over. Haar gezangen komen van ver, maar tegelijk zijn ze ongelooflijk dichtbij. Zijn vrouw, flitst door mijn hoofd, voor ze hem achterna reisde. Haar oma.

Een auto die voorbijraast op straat haalt mij uit mijn trance. Op het bandje weerklinkt enkel nog ruis. Door het geopende raam hoor ik een flard van een liedje opstijgen uit de auto. Ruthless Queen, heet ‘t. Mama zong het altijd, als ze het eenmaal op de radio hoorde, verdween het voor de rest van de dag niet uit haar hoofd. Vroeger dacht ik altijd dat de titel Rootless Queen was. Koningin zonder roots.

‘Betekent je naam eigenlijk koningin?’

De kuiltjes in haar wangen zijn weer daar. ‘Iedereen denkt dat altijd. Maar eigenlijk betekent mijn naam schitterend, of gelukkig.’ Haar wijsvinger heeft de plek bereikt waar het cassettebandje ontbreekt.

‘Voor wie supporter je straks tijdens de finale van het WK,’ vraag ik, ‘België of Marokko?’

Advertenties

Missen

Ik opende mijn ogen en de zon brandde hevig. Twaalf was ik, en opa had me meegenomen op een tocht in een muffe, rammelende bus naar een parkeerterrein buiten de stad. Het was zondag, dus was het er doodstil. Nergens viel een mens of wagen te bekennen.

‘We brengen veel tijd samen door, maar er komt onvermijdelijk een dag dat je zal zeggen “Met die ouwe zak wil ik niks meer te maken hebben”, een dag waarop we afscheid moeten nemen van elkaar. Maar die dag moet er ook zijn,’ had opa me op de bus toevertrouwd. Vol ongeloof had ik hem aangestaard.

‘En daarom moeten we elkaar leren missen,’ had hij eraan toegevoegd.

Uit zijn jaszak diepte opa een krijtje op. Hij bukte zich langzaam en trok met bevende handen een dikke witte streep op het asfalt voor mijn voeten. Even raakte het krijtje de tippen van mijn schoenen. Daarna zette hij een grote stap achteruit en trok een lijn voor zijn voeten. We staarden elkaar aan zonder iets te zeggen. Opa zette nog een stap achteruit en trok een nieuwe lijn. Ik verroerde geen vin en observeerde hoe de afstand tussen onze lijnen alsmaar groter werd en opa alsmaar kleiner. Ten slotte verdween hij in het struikgewas achteraan het parkeerterrein.

 

 

Dit verhaal verscheen ook in Kluger Hans #35: Denkmal, oktober 2018.