Boomhut

Dit verhaal verscheen eerder op De Optimist, 19 augustus 2018, mét illustratie van Jeroen Kooren.

Ik las altijd dat ze naar noten smaken, maar ik herken er toch eerder mosselen in. Gelukkig weet ik ook maar al te goed waar de braambessen en de bosbessen groeien, en wanneer ze op hun best zijn, zodat ik niet altijd sprinkhanen zal hoeven te knabbelen. En in het beekje zag ik dikke karpers voorbijzwemmen. Misschien moet ik een dam bouwen en zo de vissen in het nauw drijven, want met de stok waar ik een vlijmscherpe punt aan had geslepen, lukte het niet. Telkens als ik ervan overtuigd was dat ik mijn zelfgemaakte speer recht in het lijf van zo’n logge karper zou ploffen, prikte ik er net naast. Misschien moet ik ook wel mijn speer verbeteren, een steen zo scherp slijpen met een andere steen zodat ik er zelfs konijnen op kan spiesen. Daarvan krioelt het hier ook op zomeravonden, dus omkomen van de honger zal ik nooit. Voor altijd zal ik hier blijven wonen.

De eerste dag in mijn boomhut zit er nu op. De vloer heb ik bedekt met gras dat ik her en der gaan plukken ben. Vanochtend was het nog kletsnat, nu heerlijk droog. Straks zal ik dus mijn eerste nacht hier kunnen doorbrengen terwijl ik me wentel in het zachte hooi.

Soms hoor ik ze in de verte wel mijn naam roepen. Gelukkig zit ik te verscholen om ontdekt te worden. Alleen ik weet deze plek liggen. Je moet over het hek klimmen, balanceren op de linkeroever van de beek en dan de samenvloeiing oversteken op de boomstam. Toch blijf ik op mijn hoede en verstop ik me onmiddellijk als hun speurtocht hen te dicht bij mijn boomhut zou brengen. Hun inspanningen zullen ze op een dag wel opgeven.

Advertenties