Kiem

19248115_566724143681391_8313194311780453548_n

Dit gedicht won de tweede prijs op de poëziewedstrijd ‘Dichter in beeld’ van de gemeente Brasschaat, januari 2018, en verscheen ook in de bundel van de wedstrijd. 

 

Ik boetseerde je uit de leemte
die me toen omringde

en schoot een arend wiens ogen je kreeg
waarmee je dan haarscherp kon zien

prikte twee wolvenoren in je hoofd
die je iedere ritseling lieten horen

en je mond die maakte ik
van wel duizend nachtegalen
waardoor je ’t dichtste woud zou verlichten

en je hart was dat van een walvis
omdat ik geen groter kon vinden

en dan was ik verbaasd
dat jij je eigen weg wou gaan

Advertenties

Chemie

Alles in deze kamer was eerst iets anders.

De muren kaal, de foto’s aan de muur momenten,
de meubels plastic flessen,

jij iemand anders’ geliefde,
ik niet.

Dit blad een boom of een oude krant,
deze stilte lawaai,

deze woorden onuitgesproken.

Voortaan

Voortaan kopie

Kim Bertoe maakte een visueel weerwoord bij mijn gedicht.

En samen gaven we namen
aan dingen die er niet meer waren.

Wat ooit de foto was,
noemden we ‘snippers’.

Wat het beeld was geweest,
lieten we verderleven als ‘scherven’.

Waar ooit het huis stond,
heette voortaan ‘puin’.

En wat ooit het moment was,
doopten we om tot ‘herinnering’.

 

 

Resten

Dit gedicht verscheen ook in Verzin, oktober 2017, met vakkundig commentaar van Vitalski.

 

Telkens als je langskwam, liet je iets achter.

 

De eerste keer waren het je littekens.
Je waste ze van je af
toen je in bad zat, en ik even niet
mocht kijken. En je veegde ze af
aan de handdoek, die je liet liggen
op het kastje naast de voordeur
voor het geval dat je ze ooit
nog zou willen komen ophalen.

 

De tweede keer, je wilde haren.
Je wilde ze kwijt, zei je,
je had ze lang genoeg gespaard.
De schaar erin, zei je,
niet beseffend dat ik ze dan
zou moeten opruimen,
de schaar erin, tot enkel
je trouwe haren zouden overblijven.

 

De derde keer liet je enkel plekken achter.
Plekken waar je zwijgend je veters knoopte
zittend op de rand van het bed
en een vinger op mijn lippen legde.

Plekken waar je
het achterste van je tong
net niet liet zien.

 

Alleen je hart
ben je hier nooit verloren.

Herinnering aan mijn voormalige muzen

Als het leven een schouwtoneel is
(zoals sommigen beweren),

dan sta jij steeds op het podium
en krijg je altijd applaus

en ik ben dan
de eerste in de zaal
die in zijn handen durft te klappen
en de laatste die naar huis gaat.

Misschien is mijn talent wel gewoon bewonderen.
Misschien is dat mijn talent: te kunnen zeggen
dat het prachtig was.

Huis

Kom in de winter, wanneer we ons ’s avonds
in dikke dekens wikkelen
en rillen bij het kampvuur in de kamer,

kom in de lente, wanneer de vogels
in en uit de kamer vliegen
en nesten maken in elk hoekje,

kom in de zomer, dan slapen we
buiten in het lange gras,
tot de ochtenddauw onze zorgen wegwast
en we opdrogen in de ochtendzon,

of kom in de herfst, wanneer de bomen huilen
in rood en bruin en geel
en ze zo de vloer bedekken
met het tapijt waarop we dansen,

maar nooit zal mijn huis deuren hebben,
nooit zal je voor een gesloten muur staan.

Spijt

Mijn generatie leeft op nostalgie,
ik alleen op spijt.
Allemaal verlangen we
naar een lang vervlogen tijd.

Ik heb altijd iets nodig
om spijt van te hebben.
Als niets me spijt, dan is er een spijt
die nooit lijkt weg te ebben.

Spijt dat ik iets niet gedaan heb,
spijt dat ik iets niet ken.
Spijt dat ik iets gemist heb,
dat er een plek is waar ik nu niet ben.

Daarom smeek ik jou: bezorg me spijt.
Een spijt die nooit valt te wissen:
spijt dat ik niet weet hoe erg het aanvoelt

om jou te moeten missen.