Oorlog en vergetelheid

Toen die vliegende bom op het stadion viel, zaten wij aan tafel te eten,’ zegt ze. ‘In de keuken stond de soep nog op de stoof. Van de slag viel de deur zo hevig dicht dat we die niet meer open kregen, en vloog het raam van de keuken aan diggelen. De scherven zijn toen allemaal in de soep beland.’

Ook al heb ik net tien keer nagekeken of de opname wel aan het lopen is, toch schrijf ik deze zinnen nog eens op in mijn notitieboekje. Gewoonweg om te voorkomen dat ze verloren gaan.

De dame die voor me zit, is de zoveelste persoon die ik interview. Ik kan de tel niet meer bijhouden. En toch raak ik dit niet beu. In mijn achterzak wacht nog een lijstje met namen van mensen wiens oorlogsherinneringen ik absoluut moet bewaren.

Waarom? Niet omdat ik mijn eigen Oorlog en terpentijn wil schrijven. Of toch nu nog niet. Ook niet omdat ik historicus ben of wil worden. Wel heb ik thuis een diploma liggen waarop staat dat ik leerkracht geschiedenis ben. Dat wil zeggen dat ik ooit les zal geven aan leerlingen voor wie de Tweede Wereldoorlog een stuk dood verleden is, oud en ongrijpbaar.

Zo lang zal het immers niet meer duren voor de laatste personen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt, ons voorgoed verlaten. Dan zal die oorlog één van die vele namen in de geschiedenisboeken zijn, even ver van ons verwijderd als de Tachtigjarige Oorlog, de Guldensporenslag of de nederlaag van de driehonderd Spartanen bij Thermopylae. Namen waarbij we meteen wapengekletter horen en beelden voor ons zien van gruwel en bloedvergieten, maar zelden van doodgewone mensen als jij en ik. Mensen wiens vroegste jeugdherinnering de aanblik van een bommenwerper door het verluchtingsraampje van het toilet is, bijvoorbeeld. Mensen die in de lagere school in Duitsland leerden hoe ze de Hitlergroet moesten brengen, terwijl de crucifix aan de muur vervangen werd door een portret van de Führer. Mensen die als kind op het stort tussen de as van kachels moesten graven naar kooltjes die nog bruikbaar waren, mensen die tientallen kilo’s tarwe of wortelen in hun rok naar huis smokkelden, mensen die rantsoenbonnen gingen stelen en zich dan angstvallig moesten verschuilen voor de Duitsers, gras etend en uit de beek drinkend.

We moeten weten waar we vandaan komen,’ zegt mijn opa altijd als het over het nut van geschiedenis gaat. Hij ging als kleuter te voet naar school door de velden, terwijl de vliegende bommen overscheerden. Door hem ken ik dus nog een aantal tastbare verhalen over die vijf jaar vol verschrikking. Voor mijn kinderen zal dat al minder vanzelfsprekend zijn. Zoals een Afrikaans spreekwoord zegt: ‘Wanneer een oud persoon sterft, gaat een bibliotheek in vlammen op.’ Om te voorkomen dat er voor de volgende generaties enkel verroeste tanks en documentaires in zwart-wit aan de oorlog herinneren, zoek ik nu die mensen met hun gonzende verhalen op. Voor zij die vergeten zijn. En voor ook wij die vergeten zijn.

Advertenties

De blik in haar ogen, dat is kunst

Ze kwam naast me staan en ik wou haar vragen ‘Wat vind jij van dit schilderij?’

Of beter: zes schilderijen. Ik was immers al minutenlang naar een reeks van zes hyperrealistische schilderijen van Robert Devriendt aan het staren, en zo kon ik nog uren doorgaan. De taferelen vormden een fascinerend kortverhaal voor mij, dat zich afspeelde op een broeierige, stoffige zomerdag, net zoals de dag dat ik besloot het Museum M te gaan bezoeken, eigenlijk. Een kortverhaal dat zo uit de pen van Raymond Carver had kunnen vloeien (lees zijn fantastische Gazebo), of van John Cheever (lees zijn fenomenale The swimmer).

Maar net toen ik de mysterieuze jongedame die naast me opdook wou vragen wat haar mening was, verdween ze. En dook ze weer op bij een volgend kunstwerk.

Tussen een majestueus wandtapijt van Jan van Leefdael en een majestueus drieluik van Michiel Coxie, prijkte een groen vlak. Jazeker: een volledig groengeverfd paneel van Marthe Wéry. Ik herinner me een bezoek aan het Groeningemuseum in Brugge, in het eerste jaar van mijn lerarenopleiding, waar de kunstwerken van eeuwenoud naar nagelnieuw geranschikt staan. Je begint dus bij de Vlaamse primitieven en eindigt bij een zwarte stip op een witte achtergrond. ‘Als je de route omgekeerd volgt,’ was ik toen zo stout om te zeggen, ‘dan bouwt het op.’ Niet helemaal waar, zo leerde het kasseidikke boek over kunst van Ernst Gombrich ons een jaar later: met de komst van het fototoestel werd het voor schilders minder belangrijk om de wereld zo realistisch mogelijk weer te geven, dus zochten ze andere manieren om hun creativiteit te tonen. Zoals een paneel groen verven. Hier in het Museum M hangen die moderne meesters kriskras tussen de klassieke, en dagen de vragen op de muur je uit om de verschillen te zoeken, en de gelijkenissen. Als er dan geen jongedame naast je staat met wie je over de kunstwerken kan discussiëren, kan je tenminste nog antwoorden op die vragen. Want ook bij het groene vlak dook het ongrijpbare meisje maar een fractie van een seconde naast me op. Toen ik mijn mond wou openen, was ze alweer weggedarteld.

Haar audiogids, die we aan de inkom bij ons ticket hadden gekregen, was in het Engels, ving ik stiekem op toen ze heel even heel dichtbij kwam. Bij een schilderij waarop een vredige wandeling door het bos verstoord wordt door een luguber bengelend lichaam aan een galg in de verte, hoorde zij dus niet de beschrijving die een Vlaams kind ervan gaf, maar die van een op en top Engelse bengel. Dit luisterfragment was een geniale toevoeging, die herinneringen opriep aan een gelijkaardige rubriek uit Man Bijt Hond, het televisieprogramma dat mij door en door gevormd heeft. En alles wat herinneringen oproept aan Man Bijt Hond verdient een standbeeld.

Ik volgde de kunstnimf met haar wapperende zwarte jurk nog door de zalen met historische voorwerpen uit Leuven, met Christusbeelden en met een video over de expo van Dirk Braeckman, maar daar was ze plots volledig verdwenen. Nooit heb ik haar teruggezien. Maar die blik in haar ogen? Dát is kunst.

 

Bezoek aan het vernieuwde M – Museum Leuven op 22 juni 2017

Herinnering aan mijn voormalige muzen

Als het leven een schouwtoneel is
(zoals sommigen beweren),

dan sta jij steeds op het podium
en krijg je altijd applaus

en ik ben dan
de eerste in de zaal
die in zijn handen durft te klappen
en de laatste die naar huis gaat.

Misschien is mijn talent wel gewoon bewonderen.
Misschien is dat mijn talent: te kunnen zeggen
dat het prachtig was.

Huis

Kom in de winter, wanneer we ons ’s avonds
in dikke dekens wikkelen
en rillen bij het kampvuur in de kamer,

kom in de lente, wanneer de vogels
in en uit de kamer vliegen
en nesten maken in elk hoekje,

kom in de zomer, dan slapen we
buiten in het lange gras,
tot de ochtenddauw onze zorgen wegwast
en we opdrogen in de ochtendzon,

of kom in de herfst, wanneer de bomen huilen
in rood en bruin en geel
en ze zo de vloer bedekken
met het tapijt waarop we dansen,

maar nooit zal mijn huis deuren hebben,
nooit zal je voor een gesloten muur staan.